| Home Persmuseum | |
© tekening: www.foksuk.nl © tekst: Herman Pleij, 2003 |
De noodzaak van rituelen
Met Pasen at mijn vader gerust een twintigtal eieren. Daar deed hij wel de hele dag over, maar de verbijstering van de rest van het gezin was er niet minder om. Hoe kon deze wonderzachte man, fluwelen socialist en rozerode oranjeklant ineen, toch van tijd tot tijd zo ruw uitpakken? Dat hij daarvoor de christelijke feestdagen koos, ontging ons niet, en evenmin dus dat hij eerder de weg insloeg van lustbeleving dan die der devotie. Mijn moeder probeerde er wel eens wat Opstanding in te brengen en met de Kerst een krib. Maar christelijk feestvieren bracht mijn vader in geest en gedrag naar de heidense oerdagen van het platteland dat hem gebaard had. Misschien nog wel letterlijker dan deze beeldspraak toestaat, want de meeste rituelen daar voorzagen naar zijn zeggen in ongeremd slempen, zuipen en rondparen. Zo zei hij dat natuurlijk niet precies, maar wij begrepen wel degelijk dat het daar toch steeds op uitdraaide. Het leek ons dan ook niet ondenkbaar, dat hij ooit met een lange toeter op het balkon van ons bescheiden flatje in de randstad de hele buurt bijeen zou blazen in de vermeende geest van de voorchristelijke vaderen. Maar in het wild potverteren en nog erger hoorde niet meer thuis in zijn moderne leven, evenmin als de vooroorlogse boerenopvoeding. Toch had die hem met alle bijkomende franje wel gevormd. Daarom activeerde hij die echo's uit zijn verleden om het nieuw verworven leefpatroon te verzekeren van een ventiel voor noodgevallen. Door zijn huidige welvaart tijdelijk te contrasteren met het tegendeel kon hij tevens demonstreren, dat het vervangende volvreten en de rest onvermijdelijk op chaos uitdraaiden. In de loop van de avond liep hij namelijk plichtmatig klem in zijn persoonlijk geregisseerde bandeloosheid. En daardoor kwam hij na een nachtje slapen weer vanzelf uit bij het aandoenlijk keurige leven, dat hem (en ons) veel beter beviel. Dan ging hij met ons fietsen, knapte karweitjes op en at zelfs kleine hapjes van het paasbrood, dat mijn moeder zelf gebakken had. Eigenlijk verbeeldde hij tegelijkertijd het raffinement van de kerstening in persoon. Behoeften aan uitspatting, de band met het eigen verleden en de onweerstaanbare drang om die te ritualiseren werden overgoten met een warme saus van inkeer, boete, beloning en verlossing. Aldus christelijk gesanctioneerd kon men toch die natuurlijke driften blijven huldigen, er volgde immers gegarandeerd bezinning, terwijl alle wegen naar een paradijselijk hiernamaals nadrukkelijk openbleven. En gepokt, gelouterd en gemazeld kon het ritme van alledag weer hervat worden. Binnenkort was er immers wel weer een feest.
Prof. Dr. Herman Pleij is Hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. |