vorige  |  volgende   |  Fokke & Sukke kunnen het niet alleen Home Persmuseum

© tekening: www.foksuk.nl
© tekst: Maarten Doorman, 2003
Filosofie
Door Maarten Doorman
Toen ik eenmaal had besloten filosofie te gaan studeren, werd ik maandenlang lastig gevallen met de vraag, waarom ik dat wilde. Wat kon je er mee worden? was de meest gehoorde, als belangstellende vraag gemaskeerde tegenwerping. Ik was nog jong en eerlijk en ik antwoordde dus dat ik er niets mee kon worden en dat mij dat het meest aantrekkelijk toescheen, veel aangenamer nog dan het lezen van Plato en Schopenhauer.
Toch bracht die scepsis jegens de filosofie mij aan het twijfelen. Was het werkelijk lucht en het najagen van wind? Voor mijn gevoel kon ik echter niet meer terug; het lag toen nog niet in mijn aard om lange tijd een standpunt te verdedigen en plotseling een andere weg in te slaan. Reikhalzend zag ik dus uit naar de eerste colleges, waaruit het belang van de studie snel genoeg zou blijken.
In september, op een bewolkte dinsdagochtend, volgde eindelijk de inwijding die mij tot een levenslange liefde voor de filosofie moest brengen. Ik was ingedeeld bij een groep, die zich zou buigen over de tekst van een eigentijds filosoof, een zekere Habermas. Mijn Duits was niet best, maar die naam klonk indrukwekkend, met dat 'haben' in het begin en dat 'massale' aan het eind. We zaten in een kleine ruimte. Een man kwam binnen en deelde viezige fotokopieën uit. Dat was de tekst van Habermas, met de verbluffende titel: WOZU NOCH PHILOSOPHIE?
Buiten begon het zachtjes te regenen, maar ik wist niet zeker of ik blij was dat ik binnen zat. De tekst was moeilijk en dat beviel me, en met het antwoord van Habermas, dat ik niet begreep, was ik het geheel eens. Alleen had ik mij, al wilde ik mezelf dat niet toegeven, iets anders voorgesteld. Achteraf denk ik, dat ik graag naar huis was gegaan met het antwoord op een vraag die ik me niet gesteld had. En hoewel dat zo was, was het niet zo.
Inmiddels ben ik dan toch bedorven en meer van vragen gaan houden dan van antwoorden. Vragen zetten iets in beweging, antwoorden sluiten iets af. Antwoorden zijn een noodzakelijk kwaad, een soort afscheiding van het denken. Zoals we de blaas en de darmen geregeld moeten ledigen en de verbruikte lucht met elke ademtocht uit moeten stoten, zo moeten we van onze antwoorden af. Met teveel antwoorden krijgen we het benauwd, we vergiftigen onszelf en stikken er ten slotte in.
Bestaan er goede antwoorden? Ik bedoel niet: antwoorden die kloppen, die niet fout zijn, of antwoorden als een goede drol. Een echt goed antwoord is eerder een antwoord waarbij nog niet de goede vraag bestaat. Bijvoorbeeld:
- Iedere seconde worden over de gehele wereld zo'n 6250 glazen cola gedronken, ofwel zo'n 540 miljoen glazen per dag. Of:
- Vandaag is het maandag. Of:
- De Chinese en de Mexicaanse naakthond worden kaal geboren en blijven grotendeels bloot, hoewel ze vaak een abnormale hoeveelheid tanden krijgen. Of:
- Also sprach Zarathustra.
Het beste antwoord is nog altijd:
- Omdat je er niets mee kunt worden.

Maarten Doorman is filosoof, dichter en essayist